“Je vader aannemen: een liefdevol gebaar naar jezelf”
- fatimaasabbane04
- 4 apr
- 2 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 6 apr

Het aannemen van je vader lijkt zo vanzelfsprekend. Alsof het iets is wat gewoon gebeurt, zonder moeite. Maar voor wie diepe, vaak stille pijn met zich meedraagt, is dat allesbehalve evident.
Als kind kunnen we niet kiezen wie onze vader is. We worden geboren in een bedding die ons wordt aangereikt door het leven zelf. En in onze vroege jaren is er vaak nog een openheid, een puurheid.
We kijken met de ogen van ons hart.
Voorbij verhalen, voorbij oordelen.
In die fase stroomt liefde nog vrij. Een kind voelt, verbindt en neemt, zonder voorwaarden.
Maar ergens onderweg kan er iets beginnen schuren. In de relatie, in de dynamiek, in wat er wel of niet gezien, gevoeld of gegeven werd.
Langzaam verschuift onze blik. We kijken niet langer alleen met het hart, maar ook met ons hoofd, met onze emotie en met onze pijn.
En dan lijkt het alsof onze vader veranderd is. Maar in wezen is hij nog steeds dezelfde.
Wat verandert, is hoe wij hem waarnemen.
Waar het jonge kind nog de ziel van de vader voelt,
ziet het oudere kind steeds vaker zijn persoonlijkheid,
zijn overlevingsmechanismen,
zijn menselijke beperkingen.
En precies daar kan verwarring ontstaan.
Vanuit systemisch perspectief is er geen oordeel, alleen beweging. We erkennen dat elke ouder zijn of haar eigen geschiedenis draagt. Dat sommige vaders, bewust of onbewust, handelen vanuit onvervulde behoeften of gemis. Dat emotionele afwezigheid vele oorzaken kan hebben.
En tegelijk nodigt het systemisch veld ons uit om te kijken naar onze eigen plek.
De vader staat symbool voor richting, voor grenzen, voor het jezelf in de wereld zetten. Wanneer wij als kind innerlijk in verzet gaan; door oordeel, verwijt of afwijzing, verlaten we vaak onbewust onze eigen plek.
We maken onszelf groter.
Sterker.
Alsof wij het anders, beter moeten doen.
Maar juist in die beweging raken we dieper verstrikt.
Niet losser, maar meer verbonden met wat we eigenlijk willen vermijden.
Want wat we afwijzen, dragen we vaak onbewust verder.
En daarin zit ook een stille pijn:
dat we, door de ander af te wijzen, ook een deel van onszelf afwijzen.
Omdat we nu eenmaal voortkomen uit beide ouders.
Vanuit een sjamanistisch perspectief wordt er een andere laag zichtbaar.
Achter elke persoonlijkheid, achter elk overlevingsmechanisme, leeft een ziel.
Een essentie die niet beschadigd is.
Die draagt, weet en liefheeft, ook al kon dat zich niet altijd tonen in het aardse leven.
En misschien ligt daar een opening.
Niet in het goedkeuren van alles wat is gebeurd,
niet in het ontkennen van pijn,
maar in het maken van een onderscheid.
Tussen wat van de persoonlijkheid is
en wat van de ziel is.
Voor mij voelt het als een zachte, maar duidelijke beweging:
ik hoef mij niet te verbinden met de overlevingsmechanismen van mijn vader.
Maar ik kan er wél voor kiezen om mij te verbinden met zijn ziel.
Met dat deel waar liefde en wijsheid nog steeds aanwezig zijn.
Met dat wat groter is dan het verhaal.
En misschien begint daar iets te verzachten.
Niet omdat het verleden verandert,
maar omdat er in het heden ruimte ontstaat.
Ruimte om te zijn,
op mijn eigen plek.
In verbinding, maar vrij



Opmerkingen